Hoofdstuk 1
Juridische splitsing
1.1 De totstandkoming van de splitsingsregeling
1.2 Vormen van splitsing 8
1.2.1 Zuivere splitsing 8
1.2.2 Zuivere splitsing ex. Art. 2:334cc BW
1.2.3 Afsplitsing 9
1.2.4 De >uitzak-variant=
1.2.5 Driehoekssplitsing
1.2.6 Een mengvorm
1.2.7 Het begrip >vermogen=
1.2.8 Verkrijging onder algemene titel
1.2.9 Partijen bij splitsing
1.2.10 Andere mogelijkheden
1.3 De formele vereisten voor splitsing
1.3.1 Het splitsingsvoorstel
1.3.2 De toelichting bij het splitsingsvoorstel
1.3.3 Tussentijdse vermogensopstelling
1.3.4 Terinzagelegging van stukken
1.3.5 Accountantsverklaringen
1.3.6 Het besluit tot splitsing
1.3.7 De akte van splitsing
Hoofdstuk 2
De positie van schuldeisers
2.1 Beschrijving van vermogensbestanddelen
2.2 Publikatie van het splitsingsvoorstel
2.3 Verzet 18
2.3.1 Verdelingsregels
2.3.2 Aanvullende zekerheid
2.4 Wijziging of ontbinding van overeenkomsten
2.5 Aansprakelijkheid
2.6 Kapitaalbescherming
2.7 Splitsing bij surséance van betaling of faillissement
2.8 Vernietiging van de splitsing
2.9 Actio Pauliana
Hoofdstuk 3
De positie van houders van zekerheden
3.1 Hypotheek
3.2 Pand
3.3 Borgtocht
3.4 Hoofdelijkheid
Hoofdstuk 4
De positie van werknemers
4.1 Werknemers
4.2 Ondernemingsraden
Hoofdstuk 5
5.1 Schuldeisers
5.2 Houders van zekerheden
5.3 Werknemers
5.4 Slotopmerking
Lijst van geraadpleegde literatuur
Hoofdstuk 1
Juridische Splitsing
1.1 De totstandkoming van de wettelijke regeling
Splitsing was onder het oude recht wel mogelijk maar vergde vele
ingewikkelde rechtshandelingen. Zo was de rechtspersoon verplicht de
wettelijke leveringsvoorschriften na te leven bij de inbreng van het
vermogen in de verkrijgende rechtspersonen. Levering van
registergoederen moest gebeuren door middel van een notariële akte
en inschrijving hiervan in de openbare registers. De overgang van
schulden werkte pas als de betreffende schuldeiser ervoor
toestemming had gegeven. Rechtsverhoudingen uit overeenkomst konden
overgaan met een akte en, in beginsel, toestemming van de
wederpartij. Voor grote ondernemingen was het overzien en uitvoeren
van al deze verplichte handelingen praktisch onmogelijk. Een
wetswijziging moest splitsing aanzienlijk vereenvoudigen. Een nieuwe
rechtsfiguur moest het mogelijk maken in één rechtshandeling
splitsing tot stand te brengen.
Op 26 april 1996 werd het >wetsvoorstel tot wijziging
van het BW en enige andere wetten in verband met de regeling van de
splitsing van rechtspersonen= ingediend. Op dat moment was
Nederland, binnen de Europese Unie, toen nog bestaande uit 12
lidstaten, het enige land dat geen regeling inzake de splitsing van
rechtspersonen kende. Harmonisering van wetgeving was hard nodig. De
extra flexibiliteit die een eenvoudige wijze van splitsing geeft,
kon de regering de Nederlandse ondernemer niet onthouden.
Bij het opstellen van het wetsvoorstel moest de wetgever rekening
houden met de Zesde EG Richtlijn inzake vennootschapsrecht, die
reeds in 1982 totstand was gekomen. Deze richtlijn legde de
lidstaten niet de plicht op te voorzien in een regeling, maar indien
landen wel tot het opstellen daarvan overgingen, moesten zij de
regels van de richtlijn volgen.
Het ingediende wetsvoorstel ging in een aantal opzichten verder
dan de richtlijn. Zo onderscheidde de richtlijn twee vormen van
splitsing: die waarbij het vermogen van de splitsende rechtspersoon
overgaat op bestaande rechtspersonen en die waarbij het vermogen
overgaat op nieuwe, bij de splitsing op te richten, rechtspersonen.
Het wetsvoorstel besteedde ook aandacht aan een vorm waarbij slechts
een deel van het vermogen van de splitsende rechtspersoon overgaat.
De zgn. afsplitsing. De richtlijn sprak alleen over de naamloze
vennootschap. Het wetsvoorstel, daarentegen, strekte zich ook uit
tot BV=s, verenigingen,
coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen. Dit
in navolging van de eerder totstandgekomen fusieregeling.
Op 2 oktober 1997 is het wetsvoorstel zonder plenaire behandeling
door de Tweede Kamer aangenomen en ruim twee maanden later door de
Eerste Kamer. In eerste instantie was het de bedoeling de regeling
van de fiscale aspecten bij het civiele wetsvoorstel op te nemen.
Later is toch gekozen voor een apart wetsvoorstel. Dit heeft er toe
geleid dat momenteel de fiscale regeling nog niet is ingevoerd. Het
civiele gedeelte is sinds 1 februari 1998 wet.
1.2 Vormen van splitsing
De wet geeft duidelijk aan dat binnen de rechtsfiguur juridische
splitsing twee vormen zijn te onderscheiden: de zuivere splitsing en
de afsplitsing. Beiden hebben hun eigen kenmerken en vereisten, die
ik hieronder kort uiteen zet.
1.2.1 Zuivere splitsing
Bij zuivere splitsing gaat het gehele vermogen van de splitsende
rechtspersoon onder algemene titel over. Er moeten ten minste twee
verkrijgende rechtspersonen zijn, omdat er anders slechts sprake is
van substitutie. De verkrijgende rechtspersonen kunnen reeds
bestaande rechtspersonen zijn, maar mogen ook bij de splitsing zijn
opgericht. De splitsende rechtspersoon houdt, na overgang van het
vermogen, op te bestaan. Volgens de Raad van State is dit laatste
het belangrijkste onderscheidend criterium tussen zuivere splitsing
en afsplitsing.
Ter verduidelijking van zuivere splitsing een voorbeeld. >Groot BV= wil zich splitsen in >Klein 1 BV= en >Klein 2 BV=. De aandeelhouders van >Groot BV=, A en B, hebben resp. 70% en
30% aandelen=. Na de
splitsing houdt >Groot
BV= op te bestaan en bezit
aandeelhouder A 70% van de aandelen in >Klein 1 BV= en >Klein 2 BV= en B 30%.
1.2.2 Zuivere splitsing ex art. 2:334cc BW
Aandeelhouders verwerven in de regel bij zuivere splitsing
aandelen in de verkrijgende rechtspersonen. Er bestaat echter een
uitzondering. Art. 2:334cc BW maakt het mogelijk zowel bedrijf als
aandeelhouders te splitsen. Toegepast op het hierboven aangereikte
voorbeeld houdt dit in dat aandeelhouder A alle aandelen in >Klein 1 BV= verwerft en B de enige
aandeelhouder is van >Klein 2 BV=. Deze constructie is vooral
bruikbaar wanneer de aandeelhouders door omstandigheden met elkaar
in onmin leven. De minister heeft in een later stadium de tekst van
het wetsvoorstel gewijzigd en duidelijk laten opnemen dat deze
constructie alleen mogelijk is in geval van zuivere splitsing. De
wet geeft nl. geen antwoord op de vraag hoe de aandeelhouder die
aandelen in de verkrijgende vennootschap verwerft zijn aandelen in
de afsplitsende vennootschap verliest als deze blijft
voortbestaan.
De algemene vergadering van aandeelhouders van de splitsende
vennootschap moet ex. art. 2:334cc BW een besluit tot splitsing
nemen met een meerderheid van drie vierden van het aantal
uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin 95% van het
geplaatste kapitaal aanwezig is. Deze eis is gesteld om te voorkomen
dat de meerderheidsaandeelhouders de minderheidsaandeelhouders
afschepen met aandelen in een vennootschap die veel minder waard
zijn.
Er ontstaat een probleem bij deze variant als de waarde van de
activa en passiva die aan een bij de splitsing opgerichte
rechtspersoon zijn overgeheveld de waarde van het aandeel in de
splitsende rechtspersoon overtreft. Aandeelhouder A, houder van 70%
van de aandelen in >Groot BV=, zou bijv. alle aandelen in
>Klein 1 BV= verwerven, terwijl deze BV 80%
van het vermogen van het splitsende >Groot BV= verwerft. In een dergelijke
situatie is aan te nemen dat >Klein 2 BV= een vordering op >Klein 1 BV= heeft ter grootte van het
verschil.
Zuivere splitsing is, met toepassing van art. 2:334cc BW, ook te
gebruiken om een joint-venture te beëindigen. Daar de hoofdregel
luidt dat er twee of meer verkrijgende vennootschappen dienen te
zijn is het echter niet mogelijk door zuivere splitsing twee
dochters te laten opgaan in de moeder.
1.2.3 Afsplitsing
Bij afsplitsing gaat een deel van het vermogen over. In
tegenstelling tot zuivere splitsing mag er sprake zijn van één
verkrijgende rechtspersoon. De splitsende rechtspersoon blijft na de
splitsing voortbestaan. De aandeelhouders krijgen aandelen in de
verkrijgende rechtspersoon.
In de meest eenvoudige vorm zal dit als volgt gaan: >Groot BV=, wederom met A en B als
aandeelhouders, wil zich splitsen. Bij afsplitsing blijft >Groot BV= bestaan, maar draagt een deel
van haar vermogen over aan bijv. >Klein BV=, die bij de splitsing is
opgericht. De aandeelhouders zijn voor hetzelfde percentage
aandeelhouder in de verkrijgende rechtspersoon.
1.2.4 De >uitzak-variant=
Bij deze variant krijgt niet de aandeelhoude,r maar de splitsende
rechtspersoon zèlf aandelen in de verkrijgende rechtspersonen. De
wet maakt hier een uitzondering op de grondregel dat indien het
gehele vermogen overgaat, de rechtspersoon ophoudt te bestaan. Er
zijn wettelijk wel extra eisen gesteld. De verkrijgende
rechtspersoon mag alleen de rechtsvorm van de BV of NV hebben en
dient bij de splitsing te zijn opgericht. Deze variant zal in de
praktijk veel toepassing vinden. Het is een gemakkelijke manier om
een divisie in een aparte dochter onder te brengen. Hetzelfde
resultaat is te bereiken door het oprichten van een dochter en
vervolgens de aandelen in natura vol te storten. Splitsing is echter
vele malen eenvoudiger daar het vermogen onder algemene titel kan
overgaan.
1.2.5 Driehoekssplitsing
Ook driehoeksplitsing is wettelijk mogelijk gemaakt. De
aandeelhouders verkrijgen bij deze constructie geen aandelen in de
verkrijgende rechtspersoon, maar in een 100%-groepsmaatschappij
hiervan. Dit is zowel mogelijk bij zuivere splitsing als bij
afsplitsing.
Voor een goed begrip een voorbeeld: >Groot BV= wil zich wederom splitsen. De
verkrijgende rechtspersoon >Klein 1 BV= is een dochter van >Lang NV=. De aandeelhouders krijgen bij
driehoekssplitsing geen aandelen in >Klein 1 BV= uitgereikt, maar in >Lang NV=.
1.2.6 Een mengvorm
Er bestaat tevens een mengvorm van zuivere splitsing en
afsplitsing. De aandeelhouders blijven aandeelhouder van de
splitsende rechtspersoon die een deel van haar vermogen overdraagt
aan een nieuw op de richten rechtspersoon waarvan zij, de splitsende
rechtspersoon, alle aandelen verwerft. Daarnaast verkrijgen zij
aandelen in de rechtspersoon die de overige vermogensbestanddelen
verwerft, maar niet haar aandelen aan de splitsende rechtspersoon
overdraagt.
Op deze manier is het dus mogelijk dat A en B aandeelhouder
blijven van de >Groot
BV= die alle aandelen in
>Klein 1 BV= heeft verworven. Zij krijgen
tevens aandelen in >Klein 2 BV=. >Klein 2 BV= heeft in dit geval, behoudens
het feit dat zij dezelfde aandeelhouders hebben, geen band meer met
>Groot BV=.
1.2.7 Het begrip >vermogen=
Onder het begrip vermogen is blijkens de MvT het samenstel van
activa en passiva te verstaan. De passiva omvatten ook de schulden
en de rechtsverhoudingen, zoals bijvoorbeeld de rechten en plichten
die uit een overeenkomst voortvloeien.
1.2.8 Verkrijging onder algemene titel
Onder verkrijging onder algemene titel is te verstaan dat de
verkrijgende rechtspersoon juridisch de persoon van zijn
rechtsvoorganger voortzet. Zowel activa als passiva gaan ongewijzigd
op hem over.
1.2.9 Partijen bij splitsing
Allen de rechtspersonen uit Boek 2 BW kunnen partij zijn bij
splitsing. Publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen van de
splitsingsregeling geen gebruik maken. De behoefte om zich met één
eenvoudige rechtshandeling te reorganiseren zal zich bij deze
rechtspersonen dus blijven voordoen. In het buitenland is hier vaak
wel in voorzien.
Met name bij privatisering is splitsing handig. Na afsplitsing
kan een deel van een overheidsdienst, zelfstandig als BV of NV
verder gaan. Hieraan kleven wel gevaren, maar deze zijn te
ondervangen door het opnemen van een regel die splitsing alleen
mogelijk maakt als deze te verenigen is met hetgeen bij of krachtens
de wet ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon is
bepaald.
1.2.10 Andere mogelijkheden
Hierboven zijn alleen de meest eenvoudige constructies besproken.
Begrip hiervan is nodig om een beter inzicht in de positie van
derden te kunnen krijgen. De praktijk zit echter veel ingewikkelder
in elkaar. Er zijn manieren denkbaar waarbij in verschillende
stappen een, op het eerste gezicht, niet voor mogelijk gehouden
constructie is te realiseren. Zo is het in eerste instantie niet
mogelijk voor twee splitsende vennootschappen een joint-venture aan
te gaan. Aan de eis dat de splitsende rechtspersoon bij de splitsing
alle aandelen verkrijgt is dan nl. niet voldaan. Wel kunnen ze
allebei een vennootschap oprichten en hiervan alle aandelen
verkrijgen en vervolgens deze twee afgesplitste bedrijven laten
fuseren.
1.3 De formele vereisten
1.3.1 Het splitsingsvoorstel
Aan splitsing moet een zgn. splitsingsvoorstel ten grondslag
liggen. De plicht om dit voorstel op te stellen rust op de besturen
van de betrokken partijen. Het dient melding te maken van de
rechtsvorm, de naam en de zetel van de rechtspersonen. Ook moet het
voorstel de statuten van de partijen, met inbegrip van eventuele
wijzigingen daarin, bevatten. Indien partijen een verkrijgende
rechtspersoon zullen oprichten dient het splitsingsvoorstel de
conceptakte van oprichting te bevatten.
Het voorstel moet een antwoord geven op de vraag of het gehele
vermogen dan wel een deel hiervan overgaat. Er moet duidelijk
blijken welke vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon
zullen overgaan, welke zij eventueel behoudt en wat de waarde
hiervan is. Bestanddelen waarvan onbekend is aan welke verkrijgende
rechtspersoon zij toekomen, komen beide gelijkelijk toe als het
gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon is overgegaan. Is
dit niet het geval dan blijven zij bij de splitsende rechtspersoon.
Hoe gedetailleerd partijen de vermogensbestanddelen moeten
beschrijven hangt af van de omstandigheden van het geval. In ieder
geval zal voor derden duidelijk moeten zijn om welke bestanddelen
het gaat. Algemene beschrijvingen als Aalle vorderingen op
handelsdebiteuren@ mogen
in het voorstel voorkomen. Het is dan duidelijk wat overgaat.
Beschrijving van alle relaties is vaak onbegonnen werk. Ten aanzien
van het deel van het vermogen dat elke rechtspersoon verkrijgt moet
het bestuur aangeven met ingang van welk tijdstip de rechtspersoon
de desbetreffende financiële gegevens in zijn jaarstukken zal
verantwoorden. Met name voor schuldeisers zijn deze regels van
belang. Zij kunnen zo inzicht krijgen in de vermogenssamenstelling
van de nieuwe wederpartij. Partijen zullen ook aan de werknemers
duidelijkheid moeten verschaffen. Indien er voornemens zijn een deel
van de werkzaamheden te beëindigen dan zal dit uit het voorstel
moeten blijken.
De bestuurders van alle partijen dienen het voorstel te
ondertekenen. Zo ook de raden van commissarissen, nadat zij het
hebben goedgekeurd. Als er een handtekening van een bestuurder of
commissaris ontbreekt moet het voorstel daarvan melding maken onder
opgave van reden. Het splitsingsvoorstel moet vermelden hoe de
samenstelling van het bestuur en de raad van commissarissen zal
zijn. Als zij speciale voordelen krijgen toegekend, zoals een
salarisgarantie, dan moet dit worden aangegeven.
1.3.2 De toelichting bij het splitsingsvoorstel
Het bestuur van elke partij is verplicht een toelichting te maken
bij het splitsingsvoorstel waarin zij aangeven wat de redenen en de
gevolgen van de splitsing zijn, alles vanuit een juridisch,
economisch en sociaal standpunt. Als niet alle aandeelhouders van de
splitsende vennootschap aandelen krijgen in de verkrijgende
vennootschappen, moet de toelichting tevens omschrijven op basis van
welke criteria de verdeling tussen de aandeelhouders is
vastgesteld.
1.3.3 Tussentijdse vermogensopstelling
Indien het laatste boekjaar van een partij bij de splitsing, op
het tijdstip van neerlegging van het voorstel, meer dan zes maanden
geleden is verstreken, dient het bestuur een tussentijdse
vermogensopstelling te maken. De waarderingsmethode moet in principe
dezelfde zijn als die in de laatst vastgestelde jaarrekening.
1.3.4 Terinzagelegging van stukken
De Zesde EG Richtlijn schrijft alléén voor het voorstel openbaar
te maken. De wetgever heeft met het oog op de bescherming van de
schuldeisers er echter voor gekozen deze openbaarmakingsplicht ook
voor enkele andere stukken te laten gelden. Zo dienen de besturen
tevens de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen ten kantore van
het handelsregister te deponeren, voor zover ze op grond van
jaarrekeningvoorschriften ter inzage moeten liggen. Verstappen en
Ten Berg pleiten ervoor om ook rechtspersonen waarop de
jaarrekeningvoorschriften niet van toepassing zijn aan deze plicht
te onderwerpen. Dat de stukken zijn neergelegd moeten de besturen
melden in een landelijk verspreid dagblad. Opgave van het adres van
het openbare register is verplicht.
1.3.5 Accountantsverklaringen
De bij de splitsing betrokken vennootschappen moeten allen een
accountant aanwijzen. Zijn taak is het beoordelen of de
ruilverhouding van de aandelen die het splitsingsvoorstel voorstelt
redelijk is. Voorts heeft hij nog enkele andere taken, die echter
voor een beter begrip van de positie van derden niet van belang
zijn.
1.3.6 Het besluit tot splitsing
De algemene vergadering van aandeelhouders neemt het besluit tot
splitsing overeenkomstig de wijze waarop zij een besluit tot
wijziging van de statuten dient te nemen. Dit is uiteraard anders
als de statuten een specifieke regeling voor het nemen van een
besluit tot splitsing bevatten. Is wijziging van de statuten
uitgesloten dan is het alleen mogelijk het besluit te nemen indien
alle stemgerechtigde aandeelhouders het hiermee eens zijn. Nooit mag
het besluit afwijken van het voorstel. Het besluit tot splitsing kan
de algemene vergadering eerst nemen een maand na de dag van
aankondiging van de neerlegging van het voorstel.
1.3.7 De akte van splitsing
De splitsing komt tot stand door het verleiden van een notariële
akte. Dit moet binnen zes maanden nadat het splitsingsvoorstel
openbaar gemaakt is gebeuren. De beschrijving van hoe de
vermogensbestandelen zullen overgaan moet aan de akte zijn gehecht.
Na het verleiden draagt elke verkrijgende rechtspersoon zorg voor
inschrijving in de openbare registers. Vaak zullen de besturen de
splitsing ook in andere registers moeten inschrijven. Zijn er bijv.
registergoederen overgegaan dan dient het register Hypotheken van
het kadaster er melding van te maken.
Hoofdstuk 2
De positie van schuldeisers
Vroeger was splitsing zonder medewerking van de schuldeisers
praktisch niet haalbaar. Om de praktijk te dienen is met de
splitsingsregeling een rechtsfiguur geschapen waarmee met één
rechtshandeling splitsing tot stand is te brengen. De wetgever
onderkende dat, hoe nuttig een dergelijke regeling voor ondernemers
ook mag zijn, zij de positie van schuldeisers in gevaar kan brengen.
De schuldeisers krijgen nl. een nieuwe schuldenaar die slechts een
deel van het oorspronkelijke vermogen van de splitsende
rechtspersoon bezit. De kosten van splitsing en een eventueel eerder
doorgevoerde fusie kunnen de positie van schuldeisers verzwakken.
KNP BT kan hier als voorbeeld dienen. De totale kosten van de fusie
in 1992 en de splitsing in 1998 bedragen maar liefst 1,19 miljard
gulden. Ook is het denkbaar dat de verkrijgende rechtspersoon niet
tot nakoming in staat is omdat de middelen of mensen die daarvoor
nodig zijn, niet op haar zijn overgegaan. Een andere beperking in de
verhaalsmogelijkheden kan voortvloeien uit het feit dat de nieuwe
wederpartij moeilijker traceerbaar is. Dergelijke problemen doen
zich ook voor indien de rechtsverhouding bij de splitsende
rechtspersoon blijft rusten. Om de positie van de schuldeisers te
versterken heeft de wetgever een aantal waarborgen geschapen.
2.1 Beschrijving van vermogensbestanddelen
Zoals gezegd moet het splitsingsvoorstel vermelden of het gehele
vermogen van de splitsende rechtspersoon of slechts een gedeelte
daarvan zal overgaan. Ook zal het nauwkeurig moeten beschrijven
welke vermogensbestanddelen op elk van de verkrijgende
rechtspersonen over gaan, dan wel bij de splitsende rechtspersoon
blijven. Hieruit moet de schuldeiser in ieder geval kunnen afleiden
wie zijn nieuwe wederpartij zal zijn.
Wat nu als het splitsingsvoorstel een schuld niet noemt of niet
valt af te leiden wie de nieuwe schuldenaar is? De wet bepaalt dat,
indien het gehele vermogen van splitsende rechtspersoon is
overgegaan, een niet in de akte van splitsing genoemd
vermogensbestanddeel, overgaat op de verkrijgende rechtspersonen
naar evenredigheid van de waarde van het deel van het vermogen van
de splitsende rechtspersoon dat zij hebben verkregen. Deze regel kan
voor de schuldeiser echter tot gevolg hebben dat hij meerdere
partijen moet aanspreken. De wetgever achtte dit onwenselijk. Hij
heeft daarom bepaald dat voor schulden de verkrijgende
rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De aangesproken
rechtspersoon kan vervolgens regres nemen op de andere verkrijgende
rechtspersoon. De draagplicht is evenredig aan het deel van het
vermogen dat elke verkrijgende rechtspersoon bij de splitsing heeft
verkregen. Gaat niet het gehele vermogen over dan zal een
schuldeiser de gesplitste rechtspersoon moeten aanspreken. Met deze
regel heeft de wetgever willen voorkomen dat een onvoorziene
toedeling van een schuld aan een verkrijgende rechtspersoon de
ruilverhouding van de aandelen onjuist maakt. Is de gesplitste
rechtspersoon blijven bestaan, maar is wel het gehele vermogen
overgegaan, dan kan de schuldenaar hem toch aanspreken ter
voldoening van de schuld. Daar de splitsende rechtspersoon, behalve
aandelen in de verkrijgende rechtspersonen, niets heeft verkregen,
is niet draagplichtig. Hij kan volledig regres nemen op de
verkrijgende rechtspersonen.
Het staat de besturen van de betrokken rechtspersonen vrij om
onderling de draagplicht ten aanzien van nog onbekende schulden vast
te stellen. Naar de schuldeiser toe blijven echter de regels van
art. 2:334s BW gelden. Dit blijkt uit de opmerkingen inzake de
instelling van een aansprakelijkheidsplafond. De Zesde Richtlijn
biedt de mogelijkheid om de aansprakelijkheid te beperken tot een
bepaald plafond. Dit kan tot gevolg hebben dat een schuldeiser met
een vordering boven dat plafond zich tot verschillende
rechtspersonen moet wenden. De MvT maakt duidelijk dat het risico
bij de partijen moet liggen en er daarom voor gekozen is een
dergelijke bepaling niet op te nemen. Dergelijke plafonds mogen niet
in het voorstel staan. Wat wel mogelijk blijft is een plafond op te
nemen met betrekking tot de onderlinge draagplicht. Nadat een partij
is aangesproken ter voldoening van het geheel kan deze regres nemen
op dat deel van de schuld dat uitkomt boven het in het
splitsingsvoorstel afgesproken plafond. De conclusie is dat het
artikel omtrent onduidelijke of onbekende schulden zeer ingewikkeld
is vormgegeven. De regel van hoofdelijke aansprakelijkheid is van
dwingend recht, terwijl partijen de omvang van de draagplicht in het
splitsingsvoorstel mogen vaststellen. Voor de duidelijkheid is het
wellicht beter het artikel te splitsen in twee afzonderlijke
bepalingen. Eén voor activa en één voor passiva.
2.2 Publikatie van het splitsingsvoorstel
Bij de formele vereisten is het splitsingsvoorstel besproken. Dit
stuk dienen de partijen samen met de toelichting, de laatste drie
vastgestelde jaarrekeningen, de accountantsverklaringen en de
jaarverslagen te deponeren bij het Handelsregister. Dat de partijen
deze stukken bij het Handelsregister hebben neergelegd en dat deze
voor een ieder ter inzage liggen, moeten zij publiceren in een
landelijk verspreid dagblad. Door middel van het adres moet
duidelijk worden gemaakt welk Handelsregister het betreft. Zo kunnen
schuldeisers gemakkelijk kennis nemen van het voornemen tot
juridische splitsing en zich na inzage een beeld vormen van het
vermogen waarover de nieuwe wederpartij zal gaan beschikken.
Althans, volgens de wetgever. Het is de vraag of de gekozen regeling
wel voldoende zeker stelt dat de schuldeiser van de voorgenomen
splitsing kennis neemt. Het lijkt nl. een illusie te denken dat de
schuldeisers alle landelijk verspreide dagbladen lezen. Eén
abonnement is niet voldoende. Het dagblad mag willekeurig worden
gekozen, mits het maar landelijk is verspreid. Een schuldeiser zal
zich dus dagelijks door het hele aanbod moeten worstelen wil hij
geen aankondiging missen. Ik vraag me af of dit van een nederlandse
schuldeiser is te verlangen, laat staan een buitenlandse. Waarom is
de bepaling zo in de wet opgenomen? Zijn er geen betere waarborg
biedende alternatieven? Maatman draagt er twee aan. De wetgever kan
de splitsende rechtspersoon verplichten om de belanghebbenden
schriftelijk op de hoogte te stellen van het voornemen tot
splitsing. Een andere oplossing kan zijn, het wettelijk vastleggen
van de plaats van publikatie. Maatman geeft als voorbeeld een aparte
kolom in de Staatscourant.
De eerste oplossing heeft het bezwaar dat het voor een
onderneming een behoorlijke administratie oplevert. De vraag is of
dat van grote ondernemingen wel is te vergen. Dit probleem is te
ondervangen door de splitsende vennootschap alleen te verplichten
bepaalde schuldeisers te verwittigen. Bijv. alleen degene die een
vordering hebben groter dan een x aantal procenten van de totale
schuld. Dit leidt echter wel tot een onwensbare willekeur. Zou het
percentage bijv. 5% zijn, dan zou een schuldeiser die een vordering
heeft van 10 miljoen op een bedrijf met een totale schuld van 1
miljard buiten het criterium vallen. Deze aanpak houdt geen rekening
met de omvang van het bedrijfskapitaal van de schuldeiser, voor wie
10 miljoen wel eens een kwart van het totale vermogen kan vormen.
Een andere mogelijkheid is de plicht alleen te laten gelden ten
aanzien van de schuldeiser wiens vordering door pand, hypotheek of
borgtocht is gedekt. Ook dit criterium heeft iets willekeurigs.
Mijns inziens kan de wetgever, gezien de huidige graad van
automatisering van de administratie, best verlangen dat de
splitsende vennootschap zijn schuldeisers persoonlijk op de hoogte
stelt. Als een onderneming met een druk op de knop een overzicht kan
krijgen van de schuldpositie, dan moet het mogelijk zijn op
eenvoudige wijze een mailing te produceren. Toch kan ook ik mij
voorstellen dat er enkele bedrijven zijn waarvoor de kosten hiervan
onevenredig hoog uitvallen, doch de huidige en toekomstige
technologische ontwikkelingen kunnen ook deze kosten wegnemen. Ik
denk dan met name aan internet en electronic mail.
Schutte-Veenstra draagt nog een andere oplossing aan. Zij acht
het in de toekomst wellicht mogelijk dat bedrijven een rechtstreekse
verbinding hebben met het handelsregister en zo kunnen opvragen
welke bedrijven een besluit hebben genomen waaraan het verzetrecht
is gekoppeld. Terecht merkt zij echter vervolgens op dat dit systeem
niet voor ieder bedrijf zal zijn weggelegd. Ik vraag mij dan wel af
wat een dergelijk systeem nog kan bijdragen. Het gaat nl. om de
kleine en/of buitenlandse schuldeisers.
Bij de tweede door Maatman aangedragen oplossing ziet hij mijns
inziens over het hoofd dat de Kamer van Koophandel op grond van art.
30a lid 1 Handelsregisterwet al verplicht is van de nederlegging
mededeling te doen in de Staatscourant. Deze regel geldt wel alleen
als het gaat om NV=s en
BV=s. Waarschijnlijk
bepleit hij enkel een specifieke wettelijke bepaling zoals in het
Belgische recht bestaat. Daar is het bestuur verplicht van de
splitsing melding te maken in de Bijlage tot het Belgisch
Staatsblad. Ik trek in twijfel of er van schuldeisers, met name de
buitenlandse, valt te verwachten dat zij zich op de hoogte te
stellen van de inhoud van de Staatscourant.
Wil een schuldeiser zekerheid dat zijn debiteur hem op de hoogte
stelt van een voornemen tot juridische splitsing, dan moet hij dat
contractueel bedingen. Het lijkt mij echter dat in de praktijk enkel
professionele schuldeisers, zoals banken, genoeg kennis van zaken
hebben om al bij het sluiten van de overeenkomst rekening te houden
met een eventuele splitsing.
De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een
splitsende rechtspersoon een schuldeiser persoonlijk op de hoogte
stelt, met name indien er sprake is van één grote schuldeiser. Ook
de keuze voor een landelijk verspreid dagblad dat slechts binnen een
selecte groep aftrek vindt zal snel in strijd komen met de
redelijkheid en billijkheid.
Als de wetgever in de toekomst kiest voor een andere
informatieplicht moet hij op het niet nakomen hiervan een sanctie
stellen. Vernietiging van het splitsingsbesluit lijkt mij te zwaar.
Daarbij is het vaak moeilijk terug te draaien. Andere mogelijke
sancties zijn het alsnog zekerheid laten stellen of het hoofdelijk
aansprakelijk stellen van de nalatige bestuurders voor de schade die
de crediteur heeft geleden. De eerste sanctie levert in geval van
een later faillissement echter problemen op.
2.3 Verzet
Eenmaal op de hoogte van het voornemen tot splitsing kan iedere
wederpartij van een bij de splitsing betrokken rechtspersoon bij de
rechter door middel van een verzoekschrift verzet aantekenen tegen
de splitsing. Dit is alleen mogelijk indien de rechtsverhouding
waarbij de wederpartij betrokken is, niet in zijn geheel overgaat
naar één van de bij de splitsing betrokken partijen of indien een
schuldeiser van de bij de splitsing betrokken partijen geen
zekerheid of andere waarborg krijgt, er van uitgaande dat hij deze
terecht verlangt.
De rechter kan voordat hij beslist de gelegenheid geven het
gebrek te herstellen. Nadat verzet is aangetekend is, zolang niet is
beslist, het verleiden van de akte van splitsing niet geoorloofd.
Gebeurt dit wel dan kan de rechter achteraf nog reparaties
verrichten.
2.3.1 Verdelingsregels
Het uitgangspunt van de wetgever is dat partijen een
rechtsverhouding niet mogen splitsen. De wet maakt een uitzondering
op de hoofdregel indien een rechtsverhouding verbonden is met
verschillende vermogensbestanddelen, die bij de splitsing aan
verschillende rechtspersonen zijn toebedeeld. De verkrijgende
rechtspersonen zullen uiteindelijk partij bij de rechtsverhouding
zijn naar evenredigheid van het verband dat de rechtsverhouding
heeft met de vermogensbestandelen die elke rechtspersoon verkrijgt.
Deze ingewikkeld ogende bepaling laat zich in de praktijk
gemakkelijk toepassen. Het klassieke voorbeeld is de overeenkomst
tot onderhoud van twee gebouwen. Bij de splitsing is het ene gebouw
aan de verkrijgende rechtspersoon toebedeeld, het andere gebouw
blijft bij de splitsende rechtspersoon. Hier kunnen de partijen
eenvoudig de overeenkomst splitsen. Zo ontstaan twee overeenkomsten
voor het onderhoud van één gebouw.
Als het splitsingsvoorstel in strijd is met de verdelingsregels
is dat gebrek enkel te herstellen door wijziging van het voorstel.
De wet biedt de rechter de mogelijkheid om, alvorens het hierboven
genoemde verzet toe te wijzen, de splitsende rechtspersoon in de
gelegenheid te stellen het splitsingvoorstel in overeenstemming te
brengen met de wettelijke regels. Niet is vereist dat de verzoeker
in zijn verzoekschrift aangeeft welke wijziging van het
splitsingsvoorstel hij wenst. De MvT maakt duidelijk dat de wetgever
heeft ingezien dat de wederpartij hier vaak niet toe in staat is.
Meestal zijn verschillende wijzigingen mogelijk.
Wel moet de verzoeker voldoende duidelijk maken waarom hij meent
dat de verdelingsregels ten aanzien van hem zijn geschonden. Is in
strijd met de regels tijdens een tijdig ingesteld verzet de akte van
splitsing toch verleden, dan kan de rechter achteraf bepalen dat een
rechtsverhouding die in strijd met de regels is gesplitst, alsnog
toekomt aan de rechtspersoon die hem eigenlijk had behoren te
krijgen. Een andere mogelijkheid is het hoofdelijk aansprakelijk
stellen van twee of meer rechtspersonen voor de nakoming van de uit
de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen.
2.3.2 Aanvullende zekerheid
Indien een schuldeiser denkt dat hij, na splitsing, onvoldoende
zekerheid overhoudt voor de voldoening van zijn vordering, kan hij
aanvullende zekerheid of een andere waarborg ter voldoening van die
vordering verlangen. Hij kan hiervoor elke partij bij de splitsing
aanspreken. Als geen der partijen aan het verzoek voldoet, kan de
schuldeiser in verzet komen. Het is aan de rechter om te beoordelen
of het verzet gegrond is. Hij zal zich voornamelijk baseren op de,
in het voorstel tot splitsing opgenomen, beschrijving en de
waardering van de vermogensbestanddelen. Heeft de schuldeiser
voldoende waarborgen of biedt de vermogenstoestand van de
rechtspersoon die na splitsing zijn schuldenaar zal zijn, niet
minder waarborgen dan voorheen het geval was, dan is het verzet
ongegrond. De regeling omtrent aanvullende zekerheid is in grote
lijnen gelijk aan die bij fusie. In de praktijk is gebleken dat bij
juridische fusie de rechter een verzoek zelden of nooit honoreert.
Dit zal ook bij splitsing het geval zijn te meer daar de wet de
overige rechtspersonen ook aansprakelijk heeft gesteld indien de
hoofdschuldenaar tekortschiet. In pargraaf 2.6 zal ik hier nader op
ingaan.
2.4 Wijziging of ontbinding van overeenkomsten
Partijen bij een overeenkomst kunnen de rechter vragen deze te
wijzigen of te ontbinden. De rechter zal aan dit verzoek gehoor
geven indien uit het oogpunt van de redelijkheid en de billijkheid
niet is te verlangen dat de overeenkomst in stand blijft. Dit ten
gevolge van de juridische splitsing, die, volgens Buijn, aan te
merken is als een onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258
BW. Deze zienswijze heeft mijns inziens tot gevolg dat partijen op
geen enkele wijze in de splitsing mogen hebben voorzien. Het
kenmerkende van een onvoorziene omstandigheid is nl. dat het
intreden niet uitdrukkelijk of stilzwijgend in de overeenkomst is
verdisconteerd. Hebben partijen bij het sluiten van het contract
rekening gehouden met een eventuele splitsing, maar zijn zij ten
aanzien van bepaalde punten vergeten een regeling te treffen, dan is
het niet meer mogelijk de rechter om wijziging te vragen. Het risico
hiervoor ligt dan bij de partijen. Ik betwijfel of dit terecht is.
Juridische splitsing kent vele vormen. Het lijkt mij een onmogelijke
taak voor partijen, de gevolgen voor een overeenkomst al bij het
sluiten te overzien. Verschillende elementen van splitsing, zoals de
vorm van splitsing, de verdeling van de vermogensbestanddelen, de
eventuele beëindiging van werkzaamheden en zelfs de samenstelling
van de besturen, kunnen van belang zijn. Daar noch het wetsartikel,
noch de MvT spreken over splitsing als een onvoorziene
omstandigheid, ben ik er voorstander van splitsing ook niet als
zodanig te beschouwen. Dit leidt ertoe dat ook indien er op bepaalde
plaatsen in het contract wel rekening is gehouden met splitsing, het
contract is te wijzigen of te ontbinden, indien instandhouding niet
redelijk en billijk is.
Aan de wijziging of ontbinding kan de rechter terugwerkende
kracht verlenen. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering
vervalt zes maanden na de nederlegging van de akte van splitsing ten
kantore van de openbare registers. Is zes maanden niet te kort? Het
gaat hier echter wel om tamelijk uitzonderlijk omstandigheden. Er is
een overeenkomst gesloten en na splitsing is het eisen van naleving
van het contract voor één van de partijen niet meer redelijk,
terwijl de andere partij weigert mee te werken aan wijziging. Ik kan
mij weinig situaties voorstellen waarbij één van de partijen niet
binnen zes maanden na het openbaar maken van de splitsingsakte in
staat is te overzien wat de gevolgen van deze splitsing voor de
gesloten overeenkomst zijn. De schade voor de wederpartij die
voortvloeit uit de wijziging of ontbinding is voor rekening van de
rechtspersoon waarop de rechtsbetrekking is overgegaan.
2.5 Aansprakelijkheid
De Zesde Richtlijn eist dat als de vennootschap waarop de
verbintenis is overgegaan de vordering niet voldoet, de andere
vennootschappen voor de nakoming mede-aansprakelijk zijn. Blijft de
splitsende rechtspersoon bestaan, dan is deze mede-aansprakelijk. De
regel is omkeerbaar. Als een verbintenis bij de splitsende
rechtspersoon achterblijft, en deze blijft in gebreke, zijn de
verkrijgende rechtspersonen ook aansprakelijk. De schulden moeten
zijn voortgekomen uit rechtsverhoudingen waarbij de splitsende
rechtspersoon ten tijde van de splitsing partij was. De schuld zelf
hoeft dus nog niet te bestaan. Zo kunnen ook verplichtingen tot
schadevergoeding uit hoofde van bestaande overeenkomsten of vanwege
ontbinding of wijziging, onder de aansprakelijkheidsregels vallen.
Duidelijk is bepaald dat het aanspreken van een rechtspersoon die de
verbintenis niet in eerste instantie aangaat, pas mogelijk is als de
eigenlijke wederpartij te kort is geschoten.
De wet maakt een onderscheid tussen deelbare en ondeelbare
verbintenissen. Deelbaar is een verbintenis die bij het splitsen van
de prestatie niet in zijn wezen zal zijn aangetast, zoals het
voldoen van een bepaalde som geld. Het schoolvoorbeeld van een
ondeelbare verbintenis is die tot het schilderen van een portret.
Voor deze verbintenissen zijn de verkrijgende rechtspersonen en de
splitsende rechtspersoon elk voor het geheel aansprakelijk. De
aansprakelijkheid voor deelbare verbintenissen is voor de subsidiair
aansprakelijke rechtspersonen beperkt tot de waarde van het vermogen
dat hij bij de splitsing heeft verkregen of behouden. Er is dus geen
sprake van een hoofdelijke aansprakelijkheid, want niet alle
rechtspersonen zijn voor een gelijk bedrag aan te spreken. De waarde
van het vermogen kan een twistpunt zijn. Als partijen er niet
uitkomen is het uiteindelijk aan de rechter om deze te bepalen. De
waarde die splitsingsvoorstel vermeldt zijn voor hem niet meet dan
een aanknopingspunt.
Van belang is de verhouding tussen de mogelijkheid van verzet, in
het geval een verlangde zekerheid niet is gegeven, en de
bovengenoemde aansprakelijkheidsregels. Bij de beoordeling van de
vraag of het verzet terecht is zal de rechter, naast het vermogen
van de nieuwe schuldenaar, ook het vermogen van de andere
rechtspersonen betrekken. Deze zijn nl. ook aansprakelijk. Dit zal
er toe leiden dat de rechter een verzet op basis van een geweigerde
waarborg niet snel gegrond zal verklaren. Het totale vermogen is zo
bezien nl. niet veranderd.
Ter verduidelijking een voorbeeld. Stel er is een overeenkomst
met >Groot BV=. De verbintenis is ondeelbaar.
>Groot BV= splitst zich vervolgens is
>Klein 1 BV= en >Klein 2 BV=. >Groot BV= houdt op te bestaan. De
overeenkomst gaat over op >Klein 1 BV=, dat slechts 10% van het
oorspronkelijke vermogen verwerft. De schuldeiser vraagt hem extra
zekerheid. Hij weigert en er volgt een verzetprocedure. Op basis van
de aansprakelijkheidsregels kan de schuldeiser ook >Klein 2 BV= voor het geheel aanspreken,
indien >Klein 1 BV= te kort schiet. De rechter zal
hiermee rekening houden bij de beoordeling van het verzet en dus
zelden het verzet gegrond verklaren. Slechts indien
aansprakelijkstelling van de andere verkrijgende rechtspersoon zeer
moeilijk is, zal er reden zijn voor een toewijzing.
De toepassing van de aansprakelijkheidregels kan leiden tot
problemen. Hierboven gaf ik als voorbeeld de verbintenis tot het
schilderen van een portret. Als de rechtspersoon waarbij de
kunstenaar die dat portret moet schilderen in dienst komt, niet aan
de verplichting voldoet, kan de schuldeiser de overige
rechtspersonen aanspreken. Het lijkt mij echter niet waarschijnlijk
dat zij in staat zijn die schilder het portret te laten maken. Het
zal in een dergelijk geval uitkomen op een schadevergoeding.
2.6 Kapitaalbescherming
De kapitaalbeschermingsvoorschriften van Boek 2 BW moeten ook bij
splitsing worden nageleefd. De wet schrijft voor NV=s en BV=s voor dat de waarde van het
vermogen van de splitsende vennootschap die blijft bestaan, niet mag
zakken onder het totaal van het gestorte en opgevraagde deel van het
kapitaal, vermeerderd met de direct na splitsing krachtens wet of
statuten aangehouden reserves. Ook voor andere rechtspersonen dan
vennootschappen bestaat een dergelijke regel. Deze bepaalt dat
verkrijgende rechtspersonen geen negatief deel van het vermogen
kunnen verwerven. Ook het deel van het vermogen dat de splitsende
rechtspersoon behoudt, mag niet negatief zijn. De aandelen in de
verkrijgende rechtspersoon die de splitsende rechtspersoon verwerft
tellen uiteraard mee bij de bepaling van de waarde van het
vermogen.
2.7 Splitsing bij surséance van betaling of faillissement
De juridische splitsing lijkt uitermate geschikt om van een
bedrijf dat in financiële moeilijkheden verkeert, de gezonde
levensvatbare onderdelen af te scheiden. De schuldeisers mogen
hiervan natuurlijk geen nadeel ondervinden. De wetgever heeft
splitsing in geval van surséance van betaling of faillissement
alleen mogelijk gemaakt als aan een aantal voorwaarden is voldaan.
Allereerst moeten de verkrijgende rechtspersonen allen NV=s of BV=s zijn, die bij de splitsing
zijn opgericht. De splitsende rechtspersoon moet van die NV=s of BV=s alle aandelen verkrijgen. De
vermogenspositie verandert hierdoor per saldo dus niet. Voor de
overgang van het vermogen krijgt de splitsende rechtspersoon nl.
aandelen in de vennootschap die het vermogen verkrijgt.
De wettelijke aansprakelijkheidsregels gelden bij splitsing in
geval van insolventie onverkort. Een bedrijf zal dan niet snel voor
splitsing kiezen. De verkrijgende rechtspersonen en de
voortbestaande splitsende rechtspersoon zijn allen hoofdelijk
aansprakelijk tot de nakoming van de verbintenissen van de
splitsende rechtspersoon. Het gevolg is dat de vennootschappen
waarin de gezonde onderdelen zijn ondergebracht, aansprakelijk
blijven voor de schulden van de failliete of in surséance van
betaling verkerende rechtspersoon.
De verwachting is dan ook dat ondernemingen in de praktijk
gebruik zullen blijven maken van de sterfhuisconstructie. Mocht zij
wel voor splitsing kiezen dan hebben schuldeisers weinig te vrezen.
Voor hen is splitsing, gezien het feit dat ze zich kunnen verhalen
op de vennootschap die de gezonde bedrijfsonderdelen heeft
verworven, eerder positief.
2.8 Vernietiging van de splitsing
Iedere belanghebbende, dus ook een schuldeiser, mag een vordering
tot vernietiging van een splitsing instellen. De schuldeiser moet de
vordering instellen tegen alle verkrijgende rechtspersonen en tevens
tegen de splitsende rechtspersoon, als deze na de splitsing nog
bestaat. De gronden waarop de rechter vernietiging kan uitspreken
staan limitatief vermeld in art. 2: 334u BW. Is een gebrek nog te
herstellen dan zal de rechter hier eerst de gelegenheid toe geven.
Degene die vernietiging heeft gevorderd krijgt in dat geval
schadevergoeding.
Als de rechter de splitsing vernietigt herleeft de oude toestand,
doch nieuw opgerichte rechtspersonen blijven bestaan. Voor de
nakoming van verbintenissen, na de splitsing met de verkrijgende
rechtspersonen gesloten, is de splitsende rechtspersoon, na
vernietiging van de splitsing, hoofdelijk aansprakelijk.
Schuldeisers zullen in de praktijk waarschijnlijk weinig gebruik
maken van de mogelijkheid tot vernietiging van de splitsing. De
voornaamste grond om vernietiging te vorderen is het niet geldig
zijn van het besluit tot splitsing. Schuldeisers zullen echter
weinig inzicht hebben in de wijze waarop besluiten tot stand zijn
gekomen. Ook is het niet zo dat de verhaalsmogelijkheden na het
uitspreken van een vernietiging door de rechter per definitie groter
zijn. Een schuldeiser zou nog het best af zijn indien de rechter de
bij de splitsing betrokken rechtspersonen de gelegenheid geeft het
gebrek te herstellen en de eiser schadevergoeding toekent.
2.9 Actio Pauliana
De actio Pauliana stelt een schuldeiser in staat een
rechtshandeling van zijn schuldenaar die hem in zijn
verhaalsmogelijkheden benadeelt, te vernietigen. Vereist is dat de
rechtshandeling door de schuldenaar zelf, onverplicht, is verricht
en dat de mogelijkheid tot geldelijk verhaal er door is beperkt. De
schuldenaar moet weet hebben gehad van de benadeling.
Van Sint Truiden noemt de Pauliana als waarborg voor schuldeisers
bij splitsing. Ik vraag mij af waarom een schuldeiser een actio
Pauliana wil instellen. De splitsingswetgeving zelf biedt genoeg
waarborgen. De vraag is ook wat met een actio Pauliana te
vernietigen is. De splitsing zelf? De overgang van
vermogensbestanddelen? Dat het mogelijk is zo de splitsing te
vernietigen lijkt mij onwaarschijnlijk en ook onwenselijk. De
wetgever heeft in een mogelijkheid tot vernietiging van een
splitsing voorzien en noemt limitatief de gronden. Benadeling van
schuldeisers staat hier niet bij. Zou het mogelijk zijn de overgang
van een bepaald vermogensbestanddeel te vernietigen dan haalt dit
het doel van de splitsing onderuit. Ik zie dus voor de Pauliana geen
grond bij splitsing.
Bij de actio Pauliana in geval van faillissement ligt het niet
anders. Doordat alle rechtspersonen aansprakelijk blijven zal van
beperking van de verhaalsmogelijkheden niet snel sprake zijn.
Hoofdstuk 3
De positie van houders van zekerheden
Het bedrijfsleven kan niet functioneren zonder zekerheidsrechten
als pand en hypotheek. Banken eisen bij het verstrekken van een
lening, dat de onroerende zaken worden verhypothekeerd en de
bedrijfsuitrusting of alle toekomstige debiteuren worden verpand.
Ook borgtocht door bijv. een directeur en het zich hoofdelijk
aansprakelijk stellen van de dochter voor schulden van de moeder
komt bij de concernfinanciering regelmatig voor. Splitsing mag voor
houders van zekerheden niet nadelig zijn. De wetgever heeft echter
verzuimd een duidelijke regeling in de splitsingswetgeving op te
nemen. Voor het oplossen van de problemen die bij splitsing
onvermijdelijk opkomen, zijn partijen voornamelijk aangewezen op de
reeds veel langer bestaande en dus niet op splitsing toegespitste
wetgeving. Het uitgangspunt van de wetgever is dat partijen, ingeval
van splitsing, nieuwe financieringsovereenkomsten sluiten en opnieuw
zekerheden vestigen. De praktijk wijst echter uit dat zich bij
fusie, als tegenhanger van splitsing, veel problemen voordoen. De
oplossingen die in het kader van fusie zijn bedacht zijn ook
uitermate bruikbaar bij juridische splitsing.
3.1 Hypotheek
Hypotheek is een beperkt recht strekkende om op eraan onderworpen
goederen een geldvordering te verhalen. Hypotheek is te vestigen op
voor overdracht vatbare registergoederen. Het recht is in verhouding
tot de geldvordering waarvan zij tot zekerheid strekt een
afhankelijk en een nevenrecht. Dit heeft tot gevolg dat zij of de
vordering volgen of bij overgang van de vordering teniet gaan.
Voorts is recht van hypotheek ondeelbaar. Voldoet de schuldenaar een
deel van de vordering dan heeft dit geen invloed op het
hypotheekrecht. De hypotheekhouder kan zich nog steeds op het geheel
verhalen.
Bij kredietverstrekking zal een bank een hypotheek vestigen op
het bedrijfspand. Stel dat er later sprake is van een zuivere
splitsing, waarbij de oorspronkelijke schuldenaar dus ophoudt te
bestaan. In de splitsingsakte is bepaald dat het krediet op de ene,
en de onroerende zaak op de andere verkrijgende rechtspersoon
overgaat. De geldvordering en de zekerheid zijn dan van elkaar
gescheiden. Dit is mogelijk omdat de hypotheekgever en de
schuldenaar niet dezelfde persoon hoeven te zijn. Het is de vraag of
de regel dat rechtsverhoudingen waarbij de splitsende rechtspersoon
partij is in zijn geheel moeten overgaan niet aan een dergelijke
constructies in de weg staat. In de Nota is echter duidelijk gesteld
dat een overeenkomst van geldlening op zichzelf staat en niet in de
zin van art. 2:334j BW verbonden is met de tot zekerheid voor de
terugbetaling verhypothekeerde vermogensbestanddelen.
Als gevolg van de splitsing is er nu sprake van een
derde-hypotheek. Eén van de belangrijkste vragen is of een verhoging
van de limiet van het krediet dat op de ene verkrijgende
rechtspersoon is overgegaan, automatisch gedekt is door de hypotheek
op de onroerende zaak die de andere verkrijgende rechtspersoon heeft
verworven. De minister heeft hierop een antwoord te geven. Indien er
reeds ruimte was voor kredietverhogingen ten tijde van het sluiten
van de kredietovereenkomst gaat die ruimte mee over. Als de
rechtspersoon op wie de kredietovereenkomst is overgegaan echter
later met de kredietgever een limietverhoging overeenkomt, is deze
pas door de hypotheek op het bedrijfspand gedekt, indien de
rechtspersoon die het bedrijfspand heeft verworven daarmee akkoord
gaat. Waarop de minister deze toestemming baseert is onduidelijk.
Waarschijnlijk heeft de regeling omtrent borgstelling model gestaan.
Een antwoord op de vraag waarom deze regel niet in de wet is
vastgelegd is nergens te vinden.
Een andere niet onbelangrijke vraag is of uitbreiding van of
verbeteringen aan het verhypothekeerde pand onder de hypotheek
vallen. Het BW geeft hierop in Boek 3 een duidelijk antwoord. Alle
kosten, anders dan voor onderhoud die de hypotheekgever die niet
tevens de schuldenaar is heeft gemaakt kan hij van de
hypotheekhouder terugvorderen, nadat deze zich heeft verhaald.
Voorwaarde is dat de gevorderde kosten ook wel daadwerkelijk tot een
hogere opbrengst hebben geleid. Dit houdt voor de rechtspersoon die
het bedrijfspand heeft verkregen wel een zeker risico in. Een
kostbare uitbreiding of aanpassing van de onroerende zaak behoeft,
zeker bij bedrijfspanden, niet per definitie tot een hogere
opbrengst te leiden.
De hierboven geschetste situatie is een van de meest eenvoudige.
In de praktijk zullen ondernemingen vaak met verschillende banken te
maken hebben en zullen op bedrijfspanden meerdere hypotheken rusten.
De regels veranderen uiteraard niet, maar toepassing ervan is wel
moeilijker. Uit het gebrek aan duidelijke bepalingen omtrent
hypotheek in de splitsingswetgeving, concludeer ik dat de wetgever
problemen met betrekking tot hypotheek onwaarschijnlijk heeft
geacht. Het is voor alle partijen raadzaam opnieuw een
kredietovereenkomst te sluiten.
Toch levert het gebrek aan wetgeving mijn inziens te veel
onduidelijkheid op. Door de splitsingswetgeving kan er een situatie
ontstaan waarbij een partij in het bezit komt van een zaak die ten
behoeve van een ander is verhypothekeerd. De onzekerheid over het
gedrag van de schuldenaar en het gebrek aan mogelijkheden hier
invloed op uit te oefenen maakt alles hoogst onaangenaam.
Het signaleren van de problemen is eenvoudiger dan het bedenken
van een oplossing. Als de wetgever de overeenkomst van geldlening
zou verbinden met het verhypothekeerde, dan zou splitsing praktisch
onmogelijk zijn. De bescherming is daarom beter te zoeken in de
waarborgen. Net zoals iedere schuldeiser kan een kredietverlener van
de verzetmogelijkheden gebruik maken. Ook de
aansprakelijkheidsregels gelden onverkort.
3.2 Pand
Pand is te vestigen op roerende zaken. Bij een vuistpand brengt
de pandgever de zaak in de macht van de pandhouder of een derde. Bij
bezitloos pand is dit niet zo.
Ter illustratie van de problemen wederom een voorbeeld. Stel de
splitsende vennootschap, >Groot BV=, heeft tot zekerheid van een
aan haar verstrekt krediet de voorraden, met inbegrip van de
toekomstige, verpand aan de bank. Tevens heeft zij zich verplicht
maandelijks al haar vorderingen op debiteuren te verpanden. Bij
splitsing verwerft de ene verkrijgende rechtspersoon, >Klein 1 BV=, het krediet plus een deel van
de voorraden en de andere,=Klein 2 BV=, de overige voorraden.
Een vraag die meteen opkomt is, of de nieuwe voorraden van >Klein 2 BV= direct verpand zijn ter
dekking van de schuld van >Klein 1 BV=. In de literatuur is
aangenomen dat dit niet automatisch gebeurt. Hiervoor zullen
partijen een nieuwe pandakte moeten opstellen. Wel is het zo dat de
nieuwe voorraden van >Klein 1 BV= op basis van de oude pandakte
aan de kredietverstrekker zijn verpand. Dit geldt alleen voor
vorderingen die rechtsreeks voortvloeien uit de bestaande
overeenkomst. De verkrijgende rechtspersoon kan natuurlijk ook een
reeds bestaande rechtspersoon zijn. Het is dan goed mogelijk dat er
reeds een pandrecht op de voorraden rust. In dat geval gaat het
oudste pandrecht voor.
Een andere vraag betreft de toepassing van de
aansprakelijkheidregels. Op basis van art. 2:334t lid 3 BW is >Klein 2 BV= mede-aansprakelijk voor de
schuld van >Klein 1
BV=. Zou het dan niet
logisch zijn om tot zekerheid van de nakoming van deze
mede-aansprakelijkheid het oude pandrecht op de voorraden van >Klein 2 BV= te laten rusten. De minister
heeft dit echter afgewezen. Zekerheidsrechten die als accessoire
rechten zijn verbonden aan de vorderingen die uit de
kredietverhouding voortvloeien, gelden niet voor de
mede-aansprakelijkheid van de andere rechtspersonen.
Bij de verplichting de vorderingen op debiteuren te verpanden
ligt het eenvoudiger. Mijn inziens is het niet mogelijk deze toe te
delen aan de rechtspersoon die niet tevens het krediet verkrijgt.
Als de splitsingsakte niet duidelijk is lijkt het me verstandig om
aan te nemen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid niet met zich
meebrengt dat ook >Klein 2 BV= aan de verplichting tot
verpanding zal moeten voldoen.
3.3 Borgtocht
Borgtocht is de overeenkomst waarbij de borg zich tegenover de
schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis die de
hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser heeft of zal
verkrijgen.
Stel dat de bestuurder van de splitsende rechtspersoon zich borg
heeft gesteld voor alle vorderingen op die rechtspersoon. De vraag
is dan of de bestuurder na splitsing ook borg staat voor de andere
verkrijgende rechtspersoon. Bij fusie doet zich dezelfde vraag voor.
Over het antwoord lopen de meningen uiteen. Van Schilfgaarde meent
dat de borgtocht niet in stand blijft. In de praktijk zal de
schuldeiser verlangen dat de borg in de handhaving toestemt. Doet de
schuldeiser dit niet en verlangt hij geen extra zekerheid van de
hoofschuldenaar, dan zal uitwinning al snel in strijd komen met de
redelijkheid en billijkheid.
3.4 Hoofdelijkheid
Bij concernfinanciering kan een dochtermaatschappij zich
hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de schulden van de moeder. Als
de dochter zich vervolgens splitst is het onduidelijk wat er met de
hoofdelijke aansprakelijkheid gebeurd. Komt deze op alle
verkrijgende rechtspersonen te rusten of slechts op één en is de
ander beperkt mede-aansprakelijk op basis van art. 2:334t lid 3 BW?
De wet verschaft geen duidelijkheid. Ik kies ervoor de
hoofdelijkheid op alle verkrijgende rechtspersonen te laten
overgaan. Strijd met de redelijkheid en billijkheid is zo
grotendeels te voorkomen.
Hoofdstuk 4
De positie van werknemers
4.1 Werknemers
Bij overgang van een onderneming gaan de rechten en
verplichtingen uit hoofde van een arbeidsovereenkomst over op de
verkrijger van de onderneming. De wet geeft aan wanneer er van
overgang sprake is. Splitsing hoort hierbij. De regels hebben als
uitgangspunt dat de gehele onderneming naar een ander overgaat. Bij
splitsing is dit vaak niet het geval, maar de doctrine neemt aan dat
een onderneming de werknemers in dienst krijgt die zijn verbonden
met de werkzaamheden die hij overneemt.
Er doet zich echter een probleem voor indien niet duidelijk is
welke rechtspersoon een bepaald gedeelte overneemt. Bij wie komen de
aan dit deel verbonden werknemers in dienst? Indien de splitsende
rechtspersoon blijft bestaan zal deze de vermogensbestanddelen
behouden waarover onduidelijkheid bestaat. De werknemers blijven dan
bij hem in dienst. Moeilijker ligt het wanneer er sprake is van
zuivere splitsing. Volgens de wet zou iedere verkrijgende
rechtspersoon een deel verwerven evenredig naar de waarde van het
deel van het vermogen van de splitsende rechtspersoon dat zij hebben
verkregen. Ik kan mij echter situaties voorstellen waarin dit niet
praktisch of zelfs onmogelijk is. Wat dan rechtens geldt, is
onduidelijk, maar of een dergelijke situatie zich snel zal voordoen
is de vraag. Werknemers zijn nl. ook schuldeisers van een
onderneming. Zij hebben onder andere loon te vorderen van de
splitsende vennootschap. De waarborgen die de wet aan schuldeisers
biedt staan dus ook voor werknemers open. Zo kan een werknemer die
ontdekt dat het onduidelijk is waar hij komt te werken, verzet
aantekenen. De rechter zal in de praktijk partijen in de gelegenheid
stellen het splitsingsvoorstel zodanig te wijzigen dat de problemen
zijn opgelost.
Een andere vraag is of de werknemers gebruik kunnen maken van de
mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst de wijzigen of te ontbinden.
Het is niet moeilijk voor te stellen dat er situaties zijn waarin na
splitsing een overeenkomst naar de maatstaven van redelijkheid en
billijkheid niet meer te handhaven is. Er doet zich evenwel een
probleem voor. Art. 7:663 BW bepaalt dat het contract van rechtswege
overgaat. De verkrijger is op precies dezelfde wijze gebonden aan de
arbeidsovereenkomst als de vervreemder. Een mogelijkheid tot
wijziging van de arbeidsovereenkomst zou hiermee in strijd zijn. Het
lijkt mij zinnig deze regel hier niet toe te passen. Het is nl. de
rechter die moet oordelen of wijziging of ontbinding nodig is.
Partijen kunnen bij deze procedure hun standpunt duidelijk naar
voren brengen.
Gelden de aansprakelijkheidregels ook voor werknemers? Kan een
werknemer, indien zijn nieuwe baas tekortschiet in de loonbetaling,
bij de andere rechtspersoon aanspraak maken op zijn loon? Uit de wet
blijkt nergens dat dit niet mogelijk is. Zelf zie ik geen problemen.
Als een rechtspersoon na splitsing niet bereid of in staat is aan
zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst te voldoen, is er
kennelijk iets niet in orde. De mogelijkheid om de andere
rechtspersoon op grond van art. 2:334t BW aan te spreken biedt hen
een extra zekerheid.
4.2 Ondernemingsraden
Splitsing brengt veelal overdracht van zeggenschap met zich mee.
Hiervoor zullen partijen aan de ondernemingsraad (hierna: OR) advies
moeten vragen. Ook in geval partijen zeggenschap overnemen, bijv.
wanneer een bestaande onderneming een deel van een splitsende
rechtspersoon verkrijgt, zullen zij advies van de OR moeten
inwinnen. De plicht rust op het bestuur.
Vindt er splitsing plaats binnen een concern, dan is het de vraag
bij wie partijen advies moet inwinnen. Het hangt ervan af of de
splitsing is aan te merken als een aangelegenheid van algemeen
belang. Is dit het geval dan moet het bestuur naar de centrale- of
groepsondernemingsraad.
Het moment waarop het bestuur aan de OR advies moet vragen dient
zodanig te zijn gekozen dat er nog wezenlijke invloed kan zijn op
het besluit. Bij splitsing zal dit zijn wanneer het voorstel daartoe
is opgesteld, maar nog niet gedeponeerd. Het advies kan nl. nog
wijziging in het voorstel teweegbrengen. Alvorens advies uit te
brengen dient er eerst een vergadering tussen OR en ondernemer
plaats te vinden. Neemt het bestuur, na een negatief advies van de
OR, toch het besluit tot splitsing dan is zij verplicht de
uitvoering één maand op te schorten. Zo heeft de OR de gelegenheid
zich te beraden op een beroep bij de Ondernemingskamer.
Uit de WOR vloeit niet voort dat een OR ophoudt te bestaan als
een onderneming niet langer als zelfstandige eenheid functioneert.
Dit betekent dat de verkrijgende rechtspersonen te maken kunnen
krijgen met de ondernemingsraad van de >oude= splitsende rechtspersoon en de
eigen ondernemingsraad. Om dit soort situaties te voorkomen zullen
partijen een medezeggenschapsovereenkomst moeten sluiten waarin
duidelijk is bepaald hoe de medezeggenschap na de splitsing is vorm
te geven.
Als de regels van de WOR niet zijn nageleefd ontstaat een
conflictsituatie. De OR kan bij de Ondernemingskamer in beroep gaan,
maar deze kan de splitsing niet vernietigen. Wel is het mogelijk
bepaalde gevolgen van de splitsing ongedaan te maken.
Ook de SER Fusiegedragsregels moet het bestuur in acht nemen.
Deze bepalingen zijn specifiek voor fusie geschreven, maar laten
zich ook bij splitsing toepassen. De grote vraag is echter op basis
waarvan de toepassing moet geschieden. Zaman meent dat zij
toepasselijk zijn omdat de nieuwe wetgeving naar de
fusiegedragsregels verwijst. Oostwouder daarentegen brengt met enige
moeite splitsing onder de definitie van fusie. Fusie is het
verkrijgen van zeggenschap over de activiteiten van een onderneming
of een gedeelte daarvan. Dit gebeurt ook bij splitsing en om die
reden is toepassing verplicht. Deze gedachtengang komt op mij toch
enigszins geforceerd over. De gedragsregels zijn van toepassing
indien bij een fusie ten minste één in Nederland gevestigde
onderneming is betrokken en daar honderd of meer werknemers werkzaam
zijn. Het bestuur moet de vakorganisaties onverwijld in kennis
stellen van een voornemen tot fusie. Hetzelfde geldt dan ook bij een
voornemen tot splitsing. Het moment waarop dit moet gebeuren moet in
ieder geval liggen voor het deponeren van het splitsingsvoorstel bij
het Handelsregister. De gedragsregels bevatten een sanctie voor niet
naleving van de regels in geval van fusie. De Commissie voor
Fusieaangelegenheden kan een onderneming bestraffen door middel van
een openbare berisping en een openbare kennisgeving. Het niet
naleven van de SER Fusiegedragsregels kan niet leiden tot
vernietiging van de splitsing. Daar splitsing in alle opzichten de
tegenhanger is van fusie en er voor werknemers gelijksoortige
belangen op het spel staan pleit ik ervoor de SER Fusiegedragsregels
zodanig uit te breiden dat deze ook duidelijk toepasbaar zijn op
splitsing. De Commissie voor Fusieaangelegenheden moet ook bij
splitsing kunnen optreden.
Hoofdstuk 5
Conclusies
In de inleiding van de MvT bij de splitsingswetgeving heeft de
wetgever duidelijk onderkend dat splitsing gevaren voor de positie
van schuldeisers met zich mee kan brengen. Over houders van
zekerheden en werknemers heeft de MvT het niet. Deze groepen zijn in
bepaalde opzichten gelijk te stellen met schuldeisers, maar wat
extra aandacht zou niet hebben misstaan.
De komende jaren zullen als evaluatie-periode dienen. Uit deze
scriptie blijkt dat toepassing van de wetgeving op een eenvoudige
casus vaak tot vele vragen leidt. Verfijning van de regels zal over
een paar jaar, mijn inziens, noodzakelijk zijn. Hierop vooruitlopend
tracht ik per groep kort aan te geven welke veranderingen mij
wenselijk lijken.
5.1 Schuldeisers
De regels ter bescherming van schuldeisers zijn talrijk. Toch is
er in mijn ogen maar één artikel dat echt direct bruikbare
bescherming oplevert. Dit is art. 2:334t BW dat bepaalt dat ingeval
de vordering van een schuldeiser van de splitsende vennootschap door
de vennootschap waarop de betrokken verbintenis is overgegaan, niet
wordt voldaan, de andere verkrijgende rechtspersonen voor de
nakoming mede-aansprakelijk zijn. Deze regel maakt diepgaande
discussie over de aan de overige regelingen klevende gebreken
eigenlijk overbodig. Wat mijns inziens echter wel nog enige studie
behoeft zijn de publicatievoorschriften. Het instellen van de plicht
tot het individueel op de hoogte stellen van bekende crediteuren
lijkt mij onvermijdelijk.
5.2 Houders van zekerheden
Het is noodzakelijk houders van zekerheden in een vroeg stadium
bij de splitsing te betrekken. Het beste is nl. de overeenkomst
opnieuw te bekijken en waar nodig de zekerheden opnieuw te vestigen.
Om dit te bewerkstelligen moet de wet een situatie creëren waarin de
positie van de houder van de zekerheid zeer sterk is. Expliciet zou
zij moeten bepalen dat derdenzekerheden in stand blijven. Eveneens
zou er een regel moeten worden opgenomen dat indien een verkrijgende
rechtspersoon zijn mede-aansprakelijkheid niet nakomt, de houder de
zekerheid kan uitwinnen.
5.3 Werknemers
Hoewel de splitsingswetgeving nergens diep op de positie van
werknemers in gaat is de bescherming toch redelijk te noemen. Dit
komt met name omdat de SER Fusiecode en de WOR ook bij splitsing van
toepassing zijn. De toepasselijkheid van de SER Fusiecode is alleen
vast te stellen met een ingewikkelde redenering. De wetgever kan
duidelijkheid scheppen door de toepasselijkheid wettelijk vast te
leggen. Voorts pleit ik ervoor bij wet de splitsende ondernemingen
verplicht te stellen een medezeggensschapsconvenant te sluiten.
5.4 Slotopmerking
Juridische splitsing is een complexe figuur, ondanks de beoogde
vereenvoudigingen. De positie van derden is, ten opzichte van de
oude wet, onmiskenbaar verslechterd. Hiertegenover staat echter een
groot gewin aan flexibiliteit voor de ondernemer. Willen partijen
een splitsing soepel laten verlopen dan zullen zij tijdig in overleg
moeten treden. Samen kunnen zij dan de problemen signaleren en komen
tot acceptabele oplossingen. Toont de omvang van ons huidige recht
echter niet aan dat deze ideale situatie een utopie is?
Lijst van geraadpleegde literatuur
Van Achterberg, M.P., Splitsing van rechtspersonen en de
positie van de banken als schuldeisers en houders van
zekerheden, De NV nr. 75, 1997, pp. 190-195
Anker, M.D.P., Het Wetsvoorstel Regeling van de splitsing van
rechtspersonen, V&O afl. 7/8, 1996, pp. 74-76
Ten Berg, J.A.M., Splitsing van vennootschappen, TVVS nr.
10, 1996, pp. 269-274
Von Bergh, C.I.G.J., Wetsvoorstel splitsing van
rechtspersonen, WPNR (1997) 6283, pp. 616-617
Bosse, W., De akte van vereenvoudigde splitsing van een
BV, WPNR (1996) 6250, pp. 935-937
Buijn, F.K., De reikwijdte van de juridische splitsing,
TVVS nr. 8, 1997, pp. 241-242
Buijn, F.K.,- R. Nieuwdorp,- P.H.M. Simonis, Splitsing van
rechtspersonen, 1e druk, Deventer 1996
Dortmund, P.J., De invloed van de splitsingswetgeving op
juridische fusie, De NV nr. 76, 1998, pp. 34-38
Van Everdingen, D.C.C., Overige wijzigingen Boek 2 BW,
V&O afl. 7/8, 1996, pp. 77-78
Maatman, R.H., Verlos ons van het landelijk verspreid
dagblad, WPNR (1996) 6250, pp. 930-932
MvT bij wetsvoorstel 24.702, nr. 3, >s-Gravenhage 1996
Van Olffen, M., Wijzigingen in de
ontwerpsplitsingswetgeving, V& O afl. 7/8, 1997, pp.
82-83
Oostwouder, W.J., Juridische splitsing en de belangen van
werknemers, SMA nr. 9, september 1996, pp. 536-551
Raaijmakers, M.J.G.C., Uitbreiding juridische fusie en
(af)splitsing, WPNR (1997) 6280, pp. 519-524
Raaijmakers, M.J.G.C., Reorganisatie van vennootschappen en
rechtspersonen: omzetting, fusie en (af)splitsing, WPNR (1997)
6276, pp. 437-444
Roest, J., Positie van de werknemer en crediteuren bij
juridische splitsing van rechtspersonen, S&V nr. 6, 1997,
pp. 186-192
Van Schilfgaarde, P., Van de NV en de BV, 11e druk, Arnhem
1998
Van Schilfgaarde, P., Juridische fusie en borgtocht, WPNR
(1996) 6235, pp. 625-629
Schutte-Veenstra, J.N., Enkele kanttekeningen bij het
vennootschappelijk verzetrecht van crediteuren, TVVS nr. 11,
1996, pp. 293-298
Simonis, P.H.M., Splitsing van rechtspersonen, regeling in het
Burgerlijk Wetboek en voorstel Fiscale begeleidingswet, WFR nr.
6269, 1997, pp. 1663-1691
Van Sint Truiden, M.Ph., De positie van schuldeisers bij
splitsing van rechtspersonen, V&O afl. 7/8, 1996, pp.
81-85
Timmerman, L., Vergadering Vereniging Handelsrecht over
juridische splitsing, TVVS nr. 11, 1996, pp. 311-312
Timmerman, L., Wijzigingen in het wetsvoorstel voor splitsing
van rechtspersonen, TVVS nr. 8, 1997, p. 243
Timmerman, L., Wetsvoorstel splitsing rechtspersonen door
tweede kamer aanvaard, TVVS nr. 11, 1997, pp. 344-345
Verslag van de vergadering van de vereeniging >Handelsrecht= over splitsing van
rechtspersonen, Deventer 1997
Ten Voorde, H., Bijzondere bepalingen voor splitsing waarbij
een naamloze of besloten vennootschap wordt gesplitst of
opgericht, V&O afl. 7/8, 1996, pp. 78-81
Wessels, B., Splitsing van rechtspersonen en het
vermogensrecht, NbBW afl. 1, 1998, pp. 10-13
Wessels, B., Splitsing van het onsplitsbare, S&V nr.
6, 1997, pp. 175-185
Zaman, D.F.M.M. (redactie), Splitsing, Amsterdam
1998
|